Boek

Mijn eerste moord en andere verhalen

Mijn eerste moord en andere verhalen
×
Mijn eerste moord en andere verhalen
Boek

Mijn eerste moord en andere verhalen

Nederlands
© 2018
Volwassenen
Bundel met vaak onheilspellende en duistere verhalen waarin de natuur een belangrijke en bepalende rol speelt en waarin ook de novelle Aquis submersus van de Duitse naturalist Theodor Storm is opgenomen.

De Standaard

Helden en bedelaars
Maria Vlaar - 11 januari 2019

Het is in de eenentwintigste eeuw nogal een statement als je een boek schrijft dat het negentiende-eeuwse beeld van mannelijkheid bevestigt. Dat doet Mijn eerste moord, de nieuwe verhalenbundel van Martin Michael Driessen, die in 2016 voor Rivieren de ECI Literatuurprijs kreeg en daarna succes had met de roman De pelikaan, een geslaagde tragikomedie die zich in Joegoslavië afspeelt. Driessen heeft een duidelijke voorkeur voor historische settings, alsof hij zich met de huidige tijd geen raad weet.

In Mijn eerste moord - in ieder verhaal valt een dode, vandaar de titel - is het laatste verhaal interessant. Het is een vertaling van Aquis submersus, de novelle van de Duitse schrijver Theodor Storm uit 1876, een tragische liefdesgeschiedenis. Storm is een nagenoeg vergeten auteur, zijn meanderende taal is prachtig: '…wanneer we de akkers en weiden hadden bereikt ging het des te fermer voorwaarts en als we eenmaal de lange rulle zandweg opwaadden kregen we boven het donkere groen van een vlierstruik al snel de gevel van de pastorie in zicht, vanwaar de doffe ruitjes van de studeerkamer van de dominee de vertrouwde gasten begroetten.' De hoofdpersoon vindt een document van een zeventiende-eeuwse schilder, leerling van de bekende kunstenaar Van der Helst, die zowel de aanbeden Katharina als haar verdronken kind heeft geschilderd. Het is een knap geconstrueerd verhaal binnen een verhaal, vol natuurbeschrijvingen en onvervulde romantische verlangens. Driessen levert een poëtische beginselverklaring af door een derde van zijn nieuwe boek in te ruimen voor Storm.

Redder

Er verdrinkt bijna nog een kind in Mijn eerste moord: een kleuter die door een andere kleuter in de plomp wordt geduwd. 'Het duurde even, maar toen kwam Japies gezicht weer naar boven door het eendenkroos. Dat was niet de bedoeling, dus pakte ik de stok waarmee hij plompenbladen had ondergeduwd en duwde hem weer onder.' Als Japie overleeft krijgt zijn belager een grote doos melkchocolade, 'omdat ik zijn leven had gered'. De man als redder en held, hoe ironisch Driessen die ook beschrijft, duikt steeds op in Mijn eerste moord. Zo laat de held Timon de Griek in 'De zuil' ieder halfjaar aan zijn vrouw zien hoe sterk hij is door een marmeren zuil op te tillen. Stiekem holt zij jaar na jaar de zuil uit, waardoor Timon de sterke man kan blijven.

Vrouwen zijn er in de verhalen van Driessen slechts om de al dan niet zelfbenoemde held te verleiden, te behagen, te verzorgen en overeind te houden. In het eerste verhaal 'Orfeus' bijvoorbeeld verbeeldt een vrouw van middelbare leeftijd zich een zeiltocht met haar nieuwe minnaar, met wie ze al een prachtige toekomst voor zich zag. 'De dag begon met Menno die haar nam (…) en haar neukte zonder dat de rest van zijn lichaam het hare raakte. Het duurde even voordat ze er echt van genoot (…) maar toen was het glorieus. Een man als een geschenk uit de hemel.' Zonder ironie is zo'n scène onverteerbaar, alleen al omdat zij meteen klaarkomt, terwijl in werkelijkheid slechts een enkele vrouw een vaginaal orgasme kent. Mooi aan het verhaal is dat Menno inmiddels is verongelukt, 'wat ontzettend jammer dat hij dood was', en dat alles zich dus in de verbeelding afspeelt.

Ook in het ontroerende sprookje 'Het heilige water' is liefde alleen in de verbeelding mogelijk: een blind bedelaarspaar in het vooroorlogse Polen is zielsgelukkig en denkt het mooiste echtpaar van het land te zijn, totdat er een wonder gebeurt en ze elkaars werkelijke uiterlijk ontdekken. De man rent meteen zo ver mogelijk weg van het gedrocht dat zij geworden is; de vrouw offert zich juist onmiddellijk op voor het 'erbarmelijke creatuur' dat er van hem over is: 'Liefde is vertrouwen, weet je nog?' verzoent ze zich met haar echtgenoot die háár daarentegen alleen blind kan liefhebben.

Net als Storm lijkt Driessen te zweven tussen de romantiek en het naturalisme. Je kunt je afvragen waarom een auteur die zo goed schrijven kan zoiets traditioneels wil maken, terwijl er in deze tijd juist zo'n verfrissende, nu en dan prettig anachronistische kijk op het verleden gepresenteerd kan worden. Hoe goed de verhalen in Mijn eerste moord ook zijn, ik kreeg zin om de 'doffe ruitjes van de studeerkamer' eens met een flinke plens schoonmaakazijn onder handen te nemen.

Van Oorschot, 253 blz., 19,99 €

De Volkskrant

De dood heeft het druk
Bo Van Houwelingen - 24 november 2018

'De dood is dom', denkt een personage uit de verhalenbundel van Martin Michael Driessen (1954). De man heeft een schipbreuk overleefd, een Japans strafkamp, twee atoombommen, een vliegtuigcrash en een haaienaanval, maar lijkt nu reddeloos verloren nadat hij tijdens een solotochtje van zijn zeilboot is gedoken en te laat beseft dat hij de zwemtrap niet buitenboord gehangen heeft.

Centraal in Mijn eerste moord staat de dood, die dom moge zijn, maar vooral ook ongeduldig is; stellig duikt hij in het begin van een verhaal al op, alsof hij geen tijd heeft netjes tot het einde te wachten. Hij komt op vermomd als een zakelijke mededeling: 'Menno was met zijn motorfiets vlak bij de jachthaven dodelijk verongelukt op de N207' of 'Op de eerste dag was hij in een ravijn gestort'. Meer woorden worden er doorgaans niet aan vuil gemaakt. Bij Driessen heeft de dood het druk, hij heeft een rol in bijna elk verhaal en moet in de novelle 'Een ware held' (ook in de bundel opgenomen) extra gemeen uit de hoek komen.

De Italiaanse broers Beppo en Luigi staan in de rij voor de decimage, een strafmaatregel uit de Romeinse tijd voor troepen die zich in de strijd laf hebben gedragen: elke tiende man wordt doodgeschoten. De soldaten zijn weggerend voor een lawine en hun wrede generaal besluit dat dit keer elke vierde man wordt geëxecuteerd. De slimme Beppo slaat aan het rekenen. Als hij en Luigi naast elkaar in de rij gaan staan, zal in elk geval één van hen beiden overleven. Maar de kans dat een van hen sterft is half om half. Ze kunnen ook uit elkaar gaan staan, met drie man tussen hen in. Dan is er driekwart kans dat ze allebei blijven leven en een kwart kans dat ze beiden doodgaan. Luigi snapt er niets van. 'Beslis jij het maar', zegt hij huilend tegen zijn broer. 'Jij besluit toch altijd alles.' Dat laatste zinnetje is cruciaal, blijkt zodra de dood heeft afgeteld en het verhaal een onverwachte twist krijgt.

Dat verrassingseffect is kenmerkend voor Driessen, die met zijn robuuste verteltrant een bijna mythische sfeer verleent aan zijn verhalen (die zich vaak afspelen in tijden die zich daar ook goed voor lenen: de Eerste en Tweede Wereldoorlog, Polen anno 1791, de tijd van Napoleon en die van de oude Grieken) alvorens er een modern-ironische zwiep aan te geven. Geen enkel verhaal eindigt zoals de klassieke toonzetting in eerste instantie doet vermoeden.

Dat geldt ook voor Aquis submersus, een novelle uit 1876 van de Duitse schrijver Theodor Storm, die Driessen voor deze bundel degelijk en fris vertaald heeft. En hoewel het op z'n negentiende-eeuws wemelt van geurende heidekruiden, diepe karresporen en helder lijstergezang heeft het geheel iets tijdloos, net als de verhalen van Driessen zelf.

Het blijkt dat we al lezende zijn klaargestoomd voor Storm: ontvankelijk voor romantiek, plotwendingen, vreemde voorvallen en de rondwarende dood is Aquis submersus haast een pageturner. Het draait allemaal om een schilderijtje van een overleden jongetje: 'Uit het tere gezichtje sprak behalve de verschrikking van de dood ook, als om hulp smekend, een laatste spoor van lieflijk leven'. Wie is dat jochie? Waarom hangt zijn afbeelding naast die van een 'duistere, zwartbehaarde man'?

Dankzij Driessen zal Storm weer gelezen worden. En mochten de buitengewone verhalen van Driessen onverhoeds in de vergetelheid raken dan is het hopen op een schrijver die, over een eeuw of wat, Mijn eerste moord oppakt en denkt: dit moet weer gelezen worden.

****

Van Oorschot: 251 pagina's; € 19,99.

NBD Biblion

Wim Fievez
De alwetende verteller van deze verhalen, die zich vaak afspelen in Oost-Europa aan het begin van de twintigste eeuw, heeft een vertelstandpunt dat buiten en hoog verheven boven de geschiedenis staat, met onbeperkt inzicht in gedachten en gevoelens van zijn personages. Dit verklaart de topzware, haast formele emoties waaraan de verhalen moeten appelleren. Het boek bestaat uit een mengeling van (ultra)korte en drie langere verhalen, waaraan verrassend genoeg de vertaling van de beroemde novelle 'Acquis submersus' (1877) van de Duitse naturalist Theodor Storm is toegevoegd. Met Theodor Storm delen Driessens verhalen een vaak onheilspellende en duistere kracht, waarbij door de alomtegenwoordigheid van water, sneeuw, bergen en heidelandschappen niet langer het autonome individu maar de natuur het lot bepaalt. De verhalen zijn professioneel verteld, summier en karig uitgewerkt, en streng van toon. Driessen werkt als theatermaker met gevoel voor drama en catharsis. Het verhaal 'Een ware held' is eerder gepubliceerd.

Trouw

Variaties op het noodlot
Rob Schouten - 03 november 2018

Dat Martin Michael Driessen (1954) een voortreffelijk verhalenverteller in de klassieke stijl is weten we al sinds zijn debuut 'Garf' uit 1999. Met zijn verhalenbundel 'Rivieren' en de roman 'De pelikaan' bereikte hij er diverse prestigieuze literaire shortlists mee. Ook zijn jongste verhalenbundel 'Mijn eerste moord' behoort tot het puikje van Nederlandse vertelkunst.

Je kunt aan alles merken dat Driessen ook opera- en toneelregisseur is, zijn proza kent een strakke regie, een duidelijk plot en zijn stijl laat weinig te raden over. Hij is geen mooischrijver maar wel iemand die precies weet wat hij doet en waar hij naartoe wil. Juist ook in deze bundel van afwisselend lange en korte verhalen.

Neem het titelverhaal, over een jongetje dat een vriendje onder water duwt. Het ventje wordt gered omdat de dader op het laatst begint te gillen; het eindigt zo: "Een paar dagen later kreeg ik een grote doos chocolade van zijn ouders, omdat ik zijn leven had gered. Japie zei later dat ik hem erin had geduwd, maar dat geloofde natuurlijk niemand."

Nogal wat verhalen van Driessen gaan over de vraag wat waarheid nu eigenlijk is of voorstelt. Ze spelen met realiteit en het surreële. In 'Orfeus' bijvoorbeeld communiceert en vrijt de vrouwelijke hoofdpersoon ongestoord met haar zojuist verongelukte minnaar; het lange verhaal 'Het heilige water' gaat over een blind Galicisch bedelaarsstel dat zichzelf de mooiste mensen op aarde waant terwijl ze allebei zo lelijk als de nacht zijn. Het zijn verhalen over de macht van de verbeelding.

Als de twee bedelaars na elkaar weer even ziende worden en de waarheid onder ogen moeten zien, smeken ze om weer blind te mogen worden en verder te leven in hun illusie 'de mooiste mensen ooit' te zijn. De tegenhanger van dit verhaal is ook present, in het verhaal 'Enigma', over twee verblindend knappe 19de-eeuwers, volgens hun omgeving voorbestemd om met elkaar te trouwen maar dat doen ze niet.

Driessens verhalen hebben soms iets 19de-eeuws, ze doen denken aan Gogol, aan Theodor Storm, van wie Driessen hier het verhaal 'Aquis submersus' vertaalde, met name 'Mijn eerste moord', ook over een verdronken kind en een daaruit volgende tragische liefdesgeschiedenis.

In de meeste korte verhalen proef je tegenwoordig vooral de invloed van Amerikaanse vertellers als Cheever of Updike, bij Driessen daarentegen bespeur je de geest van de Duitse en de Oost-Europese cultuur, ze zijn eerder donker en mythisch dan licht en alledaags, ze gaan meer over het noodlot dan over het menselijk tekort.

Ook in de details zie je Driessens strakke regie. Dat twee van de personages in 'Het heilige water' de namen van bekende Duitse profvoetballers hebben, Podolski en Lewandowski, kan nog een als een soort knipoog opgevat worden, maar de terloopse mededeling dat in 'Een ware held' Beppo jr. fascist wordt en in 'Tijdrit' de trotse vader van een overleden wielrenner aan het Oostfront heeft gevochten geeft de verhalen een subtiele wending. Opeens besef je dat goed en kwaad op een onontwarbare manier met elkaar verbonden zijn, zoals dat ook in 'De pelikaan' het geval was, waarin de wederzijdse chanteurs tegelijk elkaars redders bleken.

In al hun helderheid hebben Driessens verhalen vaak een zware ondertoon. Als in 'Een ware held' elke vierde soldaat geëxecuteerd dreigt te worden en de broers Beppo en Luigi proberen uit te rekenen waar ze dan het beste kunnen gaan staan verstoort een stom ongeluk die berekening en sterft Beppo alsnog. In 'Vrouwen en kinderen eerst', een geestige en bitterzoete satire op het Titanicverhaal blijkt de ramp een vooropgezet gruwelplan om met de resterende bemanning van het schip onbekommerd naar de Bahamas te varen.

Alle toeval en willekeur in deze verhalen blijkt ten slotte toch door een onzichtbaar hoger lot te worden bestierd, zoals dat ook in de Griekse tragedies het geval is. Maar bij Driessen ontbreekt de katharsis veelal, en leven de overlevers gewoon maar verder, meer ongewisheid tegemoet.

De uiteindelijke machthebber blijkt toch de schrijver die met vaste meesterhand zijn personages op het slagveld van hun levens neerzet, in steeds nieuwe variaties van het noodlot, dwingend en onontkoombaar.

oordeel

Driessen behoort tot het puikje van de Nederlandse vertelkunst.

Van Oorschot; 256 blz. € 19,99.